Columns

Koen P.H. Romeijn

Exploring the Universe since 1979

Columns

Een tijdje geleden ben ik begonnen met het schrijven van columns. Gewoon, omdat ik graag schrijf en omdat ik een vrijwel onuitputtelijke bron van irritaties en ergernissen tot mijn beschikking heb. Ik heb gemerkt dat ik dit beter van me af kan schrijven dan het op te kroppen. En sindsdien is het hek van de spreekwoordelijke dam.

 

Hiernaast vindt je een collectie van hersenspinselen die ik de wereld in help onder de verzamelnaam ‘Vleespasta', en af en toe een losstaand stukje over de dagelijkse beslommeringen om me heen, vaak onder de noemer ‘Overig’.

 

Mijn streven is om op regelmatige basis nieuwe stukjes te plaatsen. Kom gerust dus nog eens langs.

 

Koen

 

Vleespasta

  • I: De Schoft
  • II: De Bruine Noot
  • III: Zebravink
  • IV: In Excelsis Vinex
  • V: Naar de Filistijnen
  • VI: Bevergeil (NIEUW 14 nov 2015)

Overig

  • I: Tradities
  • II: Slagschaduw
  • III: Kansloos
  • IV: Kwijt
  • V: UB40
  • VI: De Betere Wensen
  • VII: Mijn Eldorado
  • Het proces van 'de Nies' - deel I

(On)gewoon Rood - Overig VIII

...ik ging verhaal halen bij de gepofte aardappel...

 

Rood. De zanger van Simply Red is ook rood. Toeval, zo wil hij ons wijs maken. De bandnaam zou refereren naar de kleuren van zijn favoriete voetbalclub, en zijn politieke voorkeur. Eerlijk gezegd zal het mij aan m’n reet roesten. Dat er over ‘bandnaam’ gesproken wordt vind ik stukken interessanter. Je leest het goed, Simply Red vindt zichzelf geen soloartiest maar een heuse band. Wist ik ook niet. Toch is het zo, ook al heeft hij meer bandleden versleten dan een gemiddeld dorp inwoners heeft. Sterker nog, opper-roodhoofd Mick Hucknall is feitelijk nog het enige originele lid. Maar vooruit, als hij het een band wil noemen…



De Roodharige mens wordt met uitsterven bedreigd, zo beweerd men. Roodharige zangers al helemaal, laat staan degenen die er hun brood mee verdienen. Ik kan me er slechts drie voor de geest halen: Dat gecastreerde ventje van the Communards, Ed Sheeran, en ja, Simply Red. 
Mooi rood is niet lelijk, hoor je weleens. Klopt, maar laten we eerlijk wezen, lelijk rood is dan ook vaak gelijk héél lelijk. Kijk maar naar Simply Red, de vaandeldrager van het rode team. De lijsttrekker van de Gingerparty. Dat heeft helemaal niets met schoonheid te maken. Maar in tegenstelling tot zijn muzikale collega’s zijn het niet alleen zijn kenmerken als roodharige die hem de das om doen. Nee, als er ergens een competitie zou zijn voor de man wiens harses het meest op een gepofte aardappel lijkt, dan zou meneer Hucknall er gegarandeerd met de winst vandoor gaan. Of hij zich nou inschrijft of niet. Daarom bestaat een dergelijke competitie ook niet. Iedereen weet immers dat Mick dat op zijn sloffen zou winnen. Hij, of Roy Donders. Roy Donders heeft namelijk een belachelijk groot hoofd. Maar over de abominabele gelaatstrekken van Roy Donders wil ik het nu niet hebben.



Waarom heb ik eigenlijk de schurft aan Simply Red? Zelfs ík vind dat een gerechtvaardigde vraag. Na bijna 3 decennia van ergernis ben ik er nog altijd niet over uit. Zijn fans prijzen veelal zijn ´unieke, karakteristieke geluid´. Allemaal leuk en aardig, maar dat maken de rottende ingewanden van een aangespoelde potvis ook, dus dat zegt me niet zoveel. Maar vooruit, voor een gepofte aardappel is het inderdaad redelijk progressief te noemen. Wat niemand zich echter lijkt te beseffen is dat bij elke noot die Mick uitbraakt er ergens op de wereld een stokdoof kind wordt geboren. Daar hoef je geen Einstein voor te zijn om dat te begrijpen, dat is simpele chaostheorie. Zo hersteld de natuur haar ontwrichte balans. 



Ligt daar dan de kern van mijn probleem? Het tenenkrommende gekweel? Of zijn het de slappe songtitels, zoals ‘Holding Back the Years’ (had dat maar gedaan) of het ronduit arrogante ‘If you don’t know me by now’? Zou zomaar kunnen. Of moet ik de oorzaak wellicht dichter bij huis zoeken? Tenslotte ben ik zelf ook een roodharige. Althans, dat wás ik. Zo’n 12 jaar geleden veranderde mijn leven voorgoed. In bed, luisterend naar de radio, moet ik ongemerkt in slaap gesukkeld zijn. Een fatale fout. Vermoedelijk is ergens die nacht de zender op Skyradio gesprongen, en is zo een nummer van Simply Red mijn gehoorgang binnengedrongen, met onherstelbare schade tot gevolg. In één nacht verloor ik al mijn rode lokken, en was mijn scalp plots gladder dan een gepolijste bowlingbaan.


Mick was een tijdje terug nog in het nieuws. Om zijn excuses aan te bieden, notabene. Ik las de headline en had voor het eerst in mijn leven een positieve associatie bij de naam Simply Red. Natuurlijk, het was te laat. Een mespuntje Euroshopper mosterd na een gastronomisch 7-gangen diner. Om de ernst van de zaak te schetsen. Het leed was al lang en breed geschied, maar een excuses, oprecht of niet, liet ik uiteraard niet aan m’n neus voorbij gaan. 
Mijn vreugde bleek echter van korte duur. Bij het lezen van de eerste zin van het bewuste artikel sloegen mijn stoppen weer ouderwets door: ‘Mick Hucknall biedt de duizenden vrouwen waar hij seks mee had zijn excuses aan.’ Even verderop ging het van kwaad tot erger: ‘Toen ik echt beroemd werd ging het hard. Tussen 1985 en 1987 sliep ik met drie vrouwen per dag, iedere dag. Het was wat ik wilde bereiken met mijn roem, ik leefde de droom.´



Het moment daarop vond ik de monitor van mijn Packard Bell pc (het is alweer even geleden) in stukken verspreid door mijn woonkamer. Mijn interieur was ongemerkt via het raam op de onderliggende straat beland. Kijkend in de spiegel aanschouwde ik gelaten de collectief gesprongen aders in mijn ogen. Glasscherven versierden mijn trillende handen. Dat, en kattenharen. Eén van mijn poezebeesten, vlak daarvoor nog poeslief spinnend bij mij op schoot, had ik met mijn blote handen impulsief in tweeën gescheurd. Een logische reactie, zo beredeneerde ik. Simply Red mocht het zich allemaal aanrekenen. Dit was geen excuses maar een provocatie. Afkomstig van een man wiens arrogantie zo geëscaleerd was, dat hij inmiddels beweerde zijn eigen vader te hebben leren neuken. Zo luidde ook de titel van zijn laatste album als ik me niet vergis, maar dan in het Engels.
Dus deed ik wat ieder ander in mijn situatie ook gedaan zou hebben. Ik rende op m’n pantoffels naar het dichtstbijzijnde VVV kantoor en schafte daar blind een kaartje voor het eerstvolgende Simply Red concert aan. Dat er een concertreeks op touw stond durfde ik immers vergif op in te nemen. Een andere verklaring voor het onverwacht verschenen nieuwsbericht leek me uitgesloten. Dit was schaamteloze marketing van de bovenste plank. En ik, ik ging verhaal halen bij de gepofte aardappel. Mijn jarenlange pijn en angst niet langer opkroppen, maar terugstorten in de poel van verderf die het had veroorzaakt.


In december van datzelfde jaar stond ik voor de ingang van het Gelredome. Stijf van de pijnstillers om het angstaanjagende vooruitzicht van ruim 2 uur Simply Red enigszins te neutraliseren. Dat er in grote letters ‘afscheidstournee’ op de pamfletten gedrukt stond maakte een hoop goed. Daar kon ik de band wel bij assisteren deze bewuste avond, zo overtuigde ik mezelf. Eenmaal binnen baande ik mij een weg door de breindode mensenmassa. Een opvallend hoog ‘vrienden van de Amstel Live’-gehalte. Ik gaf over in mijn mond, maar zette door. Gesterkt door de royale voorbereiding op mijn missie, wat meerdere maanden in beslag had genomen, nam ik stelling tegen de dranghekken voor het podium. Het licht dimde, waarop de band het eerste nummer inzette. Gelukkig, het voegmiddel waarmee ik mijn oren had afgedicht, hield stand. Een kleine minuut later verscheen ook Mick op het podium, bejubeld door een uitzinnige menigte. Van binnen juichte ik ook, maar niet omdat ik bestookt werd met het godgeklaagde gekerm van een uitgerangeerde, gepofte aardappel. Ik had mijn eigen redenen. Eindelijk was het zover. Het moment waarop ik had gewacht. De juten zak met ruim 10 kilo uitgelopen aardappelen, die ik met me mee naar Arnhem had gesuild, was me bij de ingang helaas ontnomen. Maar dat was ingecalculeerd. Ik had nog een troef achter de hand. 


 

Halverwege het 3e nummer van de set zag ik mijn kans waar. Mick strompelde naar het midden van het podium en stond ineens recht voor me gepositioneerd, op slechts een paar meter afstand. De zoete, weeïge geur van aardappelen viel als een warme deken over de voorste linies. Sommige fans werden er door bedwelmd, en moesten zelfs worden afgevoerd. Ik hield echter mijn adem in, zoals ik geoefend had. Het was nu of nooit. Ik vouwde mijn spandoek open en schoof dit recht in zijn gezichtsveld. Kassa. Verbouwereerd door de plotselinge aanblik van mijn ontwerp stortte hij zich resoluut op zijn knieën. Zijn blik zakte naar beneden en ontmoette de mijne. Ik kon de ontsteltenis haast proeven. Tranen gutsten over zijn pafferige gelaat. En de show werd stilgelegd. 



‘Maar wat stond er dan op dat spandoek?’, hoor ik je vragen. Een gepofte aardappel? Roy Donders’ belachelijke harses? ‘WHY?’, in hoofdletters? ‘Simply DEAD’, waarna ik het podium zou hebben bestormd? Nee, niets van dat alles. Een aanslag zou net als elke vorm van kritiek een averechtse uitwerking hebben gehad. Het zou hem alleen maar meer publiciteit hebben opgeleverd.
Ik wist dat er maar één manier was om Simply Red écht te raken: Met niets. Een groot, wit laken met niets. Een blank canvas. Aan een leeg spandoek kon zijn ontregelde perceptievermogen geen positieve draai geven. In combinatie met mijn gezicht, het gezicht van een man wiens levensplezier decennialang systematisch op de proef was gesteld dankzij zijn verbale diarree, wierp dat zijn vruchten af. Hij had m’n leed erkend, en besefte dat hij de veroorzaker was. Meer kon ik niet wensen. 



Mijn toewijding had zich uitbetaald. Simply Red was geraakt. Natuurlijk, het effect van mijn actie was slechts van tijdelijke aard. Ik had op meer gehoopt, maar moest realistisch blijven. De dagen erna stond Mick gewoon weer op het podium, en werden de duizenden fans weer als vanouds bestookt met de vele gedrochten van nummers die zijn irritant omvangrijke oeuvre rijk is. Sterker nog, tot op de dag van vandaag is Simply Red nog altijd actief aan het touren. Maar daar raakt hij mij niet meer mee. Ik heb mijn pijn een plek weten te geven. Echter, de radio is en blijft natuurlijk mijn achilleshiel. Net als de geur van gepofte aardappelen. Ik zal er mee moeten leren leven.

 

‘Bevergeil’ - Vleespasta VI

...maar dat leverde geen anus op...

 

Bevergeil. Wellicht heb je er wel eens wat over gehoord. Een dubieuze substantie met een nog dubieuzere naam. Bevergeil, ook wel Castoreum genoemd, wordt gewonnen uit de anusklier van een bever. Prima spul dus. Een kleverig bruin goedje, waarvan de geur het midden houdt tussen schoensmeerolie en de wandelgangen van een ziekenhuis. En dat is niet eens mijn eigen bevinding, maar die van Wikipedia. Dus dan zal het wel waar zijn. Bevergeil, een benaming die overigens geen reet met de seksuele drift van het bevertje te maken heeft. Het arme beestje gebruikt de harsachtige wax namelijk slechts uit praktische overwegingen. Om zijn vacht mee in te vetten, zich te beschermen tegen vocht en kou. Een soort vetbult dus, zoals zo veel dieren die hebben. Niets bijzonders dus. Een seksuele connectie lijkt op papier dus te verwaarlozen, maar goed, de aars van een bever is dan ook niet mijn ‘area of expertise’.


Ik hou me liever bezig met de praktische kant van de zaak. Want hoe is dit in hemelsnaam begonnen? Is bevergeil werkelijk, zoals men beweerd, een bijproduct waar stropers ‘bij toeval’ tegenaan liepen, of speelt hier iets anders? Wat bezielde de ontdekker in kwestie (laten we het woord ‘pionier’ maar even niet in de mond nemen) om die smeerboel voor iets anders te gebruiken dan waar onze liever Heer het voor bedoeld heeft? 



Niet alles wat uit een anus of nabijgelegen gebieden komt hoeft per definitie als ‘geil’ geclassificeerd te worden lijkt me. Of het nou van een bever afkomstig is, of niet. Laat staan dat je het perse ergens voor moet gebruiken. Maar hé, dat ben ik. Het weeïge, kleverige goedje bleek niettemin de hoofdprijs. Daar kwamen ze rond de middeleeuwen al achter. Toepasbaar voor allerlei doeleinden. Wondermiddel, om maar wat te noemen. Maar goed, dat was vroeger. Toen de dokter je nog doodleuk kwikzilver voorschreef als je een loopneus had. Men wist simpelweg niet beter. Je zou denken dat die smurrie in loop van tijd van de markt zou verdwenen, maar niets was minder waar. Er werden zelfs méér toepassingen gevonden voor het geil. Zo bleek het een prima smaakversterker in sigaretten en vanille-ijs. En, niet te vergeten, een welkome toevoeging in parfums en cosmetica. ‘Zeg Bea, wat draag jij nou voor heerlijk zoetig luchtje?’ ‘Dit? Oh, da’s ‘Horny Beaver’ van Chanel. Gemaakt met het geil van de uiterst zeldzame Noord-Siberische Aarsbever. Lekker weeïg, nietwaar? En je hebt gelijk geen paraplu meer nodig als het regent. Het water loopt zo van je af.’



Een synthetische variant bestaat al sinds het einde van de 19e-eeuw, maar het echte spul schijnt nog altijd veelvuldig te worden gebruikt. Frappant, op z´n zachtst gezegd. Want hoe moet ik dit zien? Ik kan me voorstellen dat het een lastig te oogsten product is, al blijft het giswerk. Wat informatievoorziening betreft tasten we volledig in het duister. Dat is op zijn minst curieus te noemen. Heeft men hier een hele industrie omheen gebouwd?

 

Ik zie het al voor me. Fabriekshallen vol met aan hun staart opgehangen bevers, die middels een infuus volgepompt worden met preparaten om maar zo veel mogelijk geil te vervaardigen. Gigantische plasma schermen eromheen met Discovery Channel HD, om de bevertjes in de juiste stemming te krijgen. En dan de bewuste klier dagelijks even opwrijven en uitknijpen, of wellicht machinaal uitmelken, zoals bij een koe? Ik vrees dat het proces er niet al te diervriendelijk aan toe gaat. Hebben we dan ook scharrel-bevers? Biologisch bevergeil? Of lopen er gewoon een paar reuzenbevers ergens in het wild rond die zoveel overtollig geil produceren dat de hele industrie er op kan teren? De Bevergeil-industrie wordt volledig afgeschermd, en ik vraag me af waarom. Wat heeft men te verbergen? Ik voel nattigheid. Bruine, stroperige nattigheid waar ik het liefst zo ver mogelijk vandaan wil blijven, maar ik vrees dat dat te laat is. Ik bedoel, hoeveel liter bevergeil zou ik in godsnaam geconsumeerd hebben de afgelopen 36 jaar? Een grootverbruiker van parfum of cosmetica ben ik nooit geweest, maar een vanille ijsje op zijn tijd ben ik niet vies van. Om van de vrachtladingen aan sigaretten maar niet te spreken. Een beangstigende gedachte. ‘Je bent wat je eet’, is een vaak gehoorde uitdrukking. In dat geval zou ik voor minstens 1% uit bever moeten bestaan. En met mij vele anderen. 



Is er dan niemand die aan de bel heeft getrokken? Jawel, in 2013 zijn er zelfs Kamervragen over gesteld, maar dat leverde geen anus op. ‘Aroma’s die afkomstig zijn van dieren hoeven niet apart te worden vermeld. Bevergeil mag dus worden aangeduid als ‘aroma’’, aldus een overduidelijk betrokken Minister Schippers van Volksgezondheid. Een vrij dubieuze verklaring, die in mijn beleving slechts twee mogelijke oorzaken kan hebben. Of ze was bang dat haar geliefde parfum niet langer naar stront zou ruiken, óf, en daar ligt mijn vermoeden, ze moest deze verklaring onder dwang geven. De bevergeil industrie is namelijk anno 2015 nog altijd booming. Lucratief, en daar ligt uiteraard de moeilijkheid. Ik zou het ook niet leuk vinden als mensen mij m’n brood afpakken.

 

Maar zeg nou zelf, is het niet mooi geweest na grofweg duizend jaar lang bevers slachten? Kunnen we die arme beestjes niet gewoon met rust laten? Kunnen we het geil niet op één of andere manier zélf produceren? Niet het synthetische spul. Nee, ik bedoel het echte, biologische geil. Als mens beschikken wij uiteraard niet over de luxe van een dergelijke anusklier, maar daar moet toch iets op te vinden zijn lijkt me. Waar een wil is, is tenslotte een wet. En waar een anus is, zie ik legio mogelijkheden. In laboratoria kweken we menselijke lichaamsdelen op ruggen van muizen, dus een anusklier ergens op of rond het menselijk achterwerk moet dan ook kunnen. Het is maar een gedachte. In een wereld waar mensen voor hun plezier hun oogballen injecteren met inkt, hun tong splitsen alsof het een gefileerde makreel is, en hun oren laten bijsnijden om meer op hun favoriete Lord of the Rings-elf te lijken, moet het vinden van vrijwilligers geen ene beverreet voorstellen, me dunkt.

 

‘Mijn Eldorado’ - Overig VII

...een façade van onbehagen...

 

Hier. 


Een eindeloze bedoening waar ik nooit en te nimmer zal aarden. Ik voel me leeg. Een schraal en secundair omhulsel. Een platte band waarvan het ventiel al tijden zoek is, maar waar ik eigenwijs lucht in blijf pompen. Pure, ongefilterde lucht die geen hond nog wenst te inhaleren.
Tegenwoordig draait alles op gebakken lucht. Het nieuwe zwart. Onze hele aardkloot teert er op. De norm. We gaan stikkend ten onder in een poel van zelfgecreëerde middelmatigheid. Zonder enige vorm van oprechte beleving.

We zijn het wild woekerende onkruid in de vergeten moestuin van een vreemde. Een oord waar ook excelleren geen enkele betekenis meer mag hebben. Uitblinken is de gouden koets op de dicht geteerde weg naar de ondergang. Althans, in de ogen van de maatschappij. Onzichtbaar, tenzij de rijken er rijker van worden. Dan ben je als vanzelfsprekend goud. Dan mag jij voor heel even het pronkende paard zijn in dienst van de dirigerende ruiter. Totdat je hoeven het begeven. 


 

Hier.


Een façade van onbehagen. Ik droom. Veelal overdag. Over daar, want daar is geen hier. Over niets en alles tegelijk. Daar ergens tussenin ligt mijn geluk. Mijn Eldorado. Als een zwakke schaduw bevlek ik het verblindende licht. Een rol die me op het lijf geschreven is. Spartelend door het wassende water, wanhopig de blinde bodem aftastend met de afgesleten nagels van mijn naar achter gekrulde tenen. Ik ontdooi, maar de oever weigert te smelten. Om me heen blijft alles eeuwig van ijs. Logisch, want hier is geen daar. Verre van. Ik omarm het, het grote onbereikbare. Daar ligt mijn paradijs. Daar waar ik consequent onkruid prefereer boven het gifgroene kunstgras van de buren.

 

Hier.

Waar ik graag vooruit kijk. Tenminste, dat wil ik graag denken. Te vaak staat mijn apathische blik de verkeerde kant op gericht. Het verleden dikwijls omarmend. Mooier makend dan het daadwerkelijk was, zodat de toekomst al ruim van te voren een stukje van zijn glans verliest. Zonde. Ik verlies mezelf in vage herinneringen die zwaarder wegen dan mijn realiteit. Nostalgie als substituut voor daadkracht. Een besef wat doorgaans niet tot verbetering leidt. Uitzichtloos, terwijl ik vaak de mooiste uitzichten voorgeschoteld krijg, maar op cruciale momenten weiger te kijken. Want als ik hier ben, ben ik in gedachte elders. En als ik daar ben, ben ik vrij. Tenminste, dat wil ik graag denken...

 

‘De Betere Wensen’ - Overig VI

...zeg maar de Aboriginals van de nieuwjaarsgroet...

 

Maandag 5 januari. De eerste werkdag sinds de jaarwisseling. ‘We mogen weer’. Aargh. Het doet pijn, onbeschrijflijk veel pijn. Lichamelijk, al weegt het psychische leed vele malen zwaarder. Niet eens vanwege de immer slopende kerstdagen, waarvan de afmattende nasleep om m’n nek hangt als een langzaam slinkende, uit ijs gehakte molensteen. Nee, wat er vandaag te wachten staat is vele malen erger dan dat. Dit is helser dan hels. Celine Dions ‘Greatest Hits’ album op repeat. Tot in den eeuwigheid. Een tienrittenkaart voor een jubileum editie van de huishoudbeurs. Om de ernst van de zaak te schetsen. Werken. Kón ik dat maar, deze dag. Kón ik dat maar…Ik zou er een moord voor begaan.

 

‘De beste wensen hè!’ Mijn bewust op oorverdovend volume afgestelde IPod blijkt bij de eerste de beste krachtmeting direct ontoereikend. Godverdomme. Amper één been buiten het portier van mijn auto en ik word al getorpedeerd met bullshit. Een misselijkmakend gevoel kruipt vanuit mijn maag door mijn slokdarm naar boven, maar houdt halt achter mijn huig. Als een stuk aangeschoten wild staar ik een voor mij onbekend figuur mild kokhalzend in zijn schijnwerpers van ogen aan, het door hem begeerde antwoord moedwillig achterwege latend. 'Ik sterf nog liever’, is wat mij te binnen schiet. Mijn handen jeuken om hem tegemoet te komen en dan maar iets van letsel cadeau te doen, bij voorkeur ergens in zijn met hypocrisie overladen smoelwerk, maar opgeschrikt door de dreiging van een uit het niets opdoemende tweede nieuwjaarsfanatiekeling kies ik echter het hazenpad richting de ingang van het bedrijfspand. Een impulsieve actie die me duur zou komen te staan, zo bleek al snel.

‘De beste wensen! Gelukkig nieuwjaar! De beste wensen nog hè!’

 

Binnen een paar seconden heb ik er al drie te pakken. Vooral de ‘hè’ doet pijn. Alsof het allemaal zo normaal is. Alsof het hoort. De woorden branden dwars door m’n trommelvlies heen en nestellen zich ongewenst in m’n hersenpan. En dan is er geen houden meer aan. Van links en recht word ik op slinkse wijze belaagd. Ontkomen is zinloos. Ik voel me naakt en kwetsbaar. Als een kreupel kalf in een hinderlaag gelokt door een roedel hongerige jakhalzen. Alleen deze jakhalzen lijken verdacht veel op mensen, maar helemaal zeker van mijn zaak ben ik niet meer. Niet na zo’n dag als vandaag. Gebruikt. Zo voel ik me eigenlijk nog het meest. Instinctief wil ik de mensen wat alternatieve verwensingen uit eigen voorraad meegeven maar op miraculeuze wijze weet ik mezelf te beheersen. Gelukkig maar. M’n reputatie was tenslotte al niet om over naar huis te schrijven.

 

Kijkend naar de oorsprong van deze tormenterende drang om elkaar massaal krampachtig het nieuwe jaar in te groeten kan ik toch maar moeilijk mijn gezicht in de plooi houden. De verklaring waarom men begin januari schuimbekkend als een kip zonder kop zijn directe omgeving afstruint om werkelijk elk willekeurig figuur of object zogenaamd 'het beste' toe te wensen heeft natuurlijk, zij het indirect, met enige vorm van beloning te maken. Geld. Hoe kan het ook anders. De pioniers die dit ooit begonnen zijn, zeg maar de Aboriginals van de nieuwjaarsgroet, hielden hun armoedzaaierige handen namelijk schaamteloos op terwijl ze op een straathoek beter bedeelde passanten een gelukkig nieuwjaar toeschreeuwden. Bedelaars. Niet meer en niet minder. Dat diezelfde bedelaars gaandeweg zijn ‘geëvolueerd’ in de huidige ‘Beste wensen-mens’ zegt mij genoeg. Elke jaarwisseling kruipt het bloed waar het niet gaan kan, en wakkert het instinct van onze voorvaderen deze nare neiging weer aan. Een aalmoes zit er tegenwoordig uiteraard niet meer in, dus resteert slechts de symboliek van de wens. Een wens, die op zichzelf staand ook helemaal niet verkeerd is, mits concreet geformuleerd en bedoeld voor de mensen die je lief hebt, en ook daadwerkelijk iets positief toewenst. En natuurlijk wens ook ik mijn familie, vrienden en directe collega's een gelukkig nieuwjaar, maar weiger ik de mensen die me de overige dagen van het jaar geen blik waardig gunnen hetzelfde te wensen. Want waarom zou ik? Tegen hen zeg ik liever praktische zaken zoals ‘Stik d’r maar in’, ‘doe eens wat aan die rotkop’, of ‘val dood’ dit komende jaar, want dat is in sommige gevallen de beste en meest eerlijke wens die ik ze kan meegeven.

 

Het proces van ‘De Nies’ – deel I

...Om van frustratie je vingers tot aan het laatste kootje bij af te knagen...

 

‘Mijnheer Romeijn, ik heb begrepen dat u uw eigen verdediging wenst te voeren in deze zaak. Uiteraard is dat uw goed recht, maar beseft u de ernst van de tenlastelegging die de openbaar aanklager tegen u heeft ingediend?’

 

'Jazeker, Edelachtbare.’


 

‘Akkoord. Dan graag uw pleidooi, mijnheer Romeijn.’

 

‘Edelachtbare, allereerst hoop ik dat u bij uw uitspraak rekening houdt met mijn situatie. Ik ga namelijk gebukt onder een vreemdsoortige allergie. Vreemd in die zin dat de gebruikelijke huismijt, pollen, pinda’s of gluten me volstrekt koud laten. Ik ben allergisch op een alternatieve, vrij onorthodoxe manier. Een soort van mentale allergie, als het ware, waar ik al van jongs af aan onder lijdt. U vraagt zich af hoe dat mogelijk is? Staat u mij toe mijn gesteldheid te illustreren aan de hand van wat voorbeelden.’


‘U heeft het woord.’


 

‘Dank u wel. Laat ik aanvangen met Bewijsstuk 1: De geduchte ‘kassa-voordringer’. Slechts één van de vele aanstootgevende stereotypes die je in de plaatselijke supermarkt ongewenst tegen het lijf kan lopen. Mensen wiens bestaan gericht lijkt te zijn op de verklootzakking van onze maatschappij. Overigens is het niet geheel toevallig dat ik hier mijn pleidooi mee wens te beginnen. Dit zijn mensen die wat mij betreft tot een volstrekt overtollig gedeelte van de bevolking gerekend mogen worden. De vleesgeworden antichrist, durf ik te stellen, die hun op karakterloze wijze geboekte tijdswinst ook vaak weer in een oogwenk weten te verbrassen. Ik vind dat tergend om te zien, Edelachtbare. Dat mag u gerust weten. Zo was ik er laatst ongewenst getuige van hoe zo’n misbaksel een argeloze vijftienjarige caissière voor mijn neus op schaamteloze wijze besloot uit te kafferen. Haar ‘misdrijf’ stond voor de voordringer in kwestie blijkbaar niet ter discussie toen haar kassasysteem per abuis de streepjescode van de 50 procent korting-sticker op de overrijpe koolraap niet direct herkende. Onvergefelijk natuurlijk. Stickers, die trouwens negen van de tien keer frauduleus op het verkeerde artikel worden geplakt, want zo zijn ze, deze parasieten. Vergis je niet. Ik zie ze wel eens staan op de groenteafdeling, de zak met sperziebonen op slinkse wijze boven de weegschaal houdend zodat er nèt even wat minder gewicht berekend wordt. De schoften. 
Soms trakteren ze je ongevraagd ook nog op een toegift. Staan ze opeens weer voor je bij de parkeergarage, waar ze doodleuk minutenlang hun zakken en tassen staan om te spitten, halfslachtig op zoek naar het parkeerkaartje terwijl ze druk één of ander bullshit telefoontje aan het plegen zijn. ‘Nou meis, wat ik nou toch weer heb meegemaakt… dus ik zeg… Oh, zegt ze… nou, zeg ik… waarna zij weer zegt… waar haalt ze het gore lef vandaan… en dat is dan je bloedeigen moeder…’ 


Om van frustratie je vingers tot aan het laatste kootje bij af te knagen. Edelachtbare, als u nieuwsgierig bent hoe de personificatie van ‘getergd’ er uit ziet, raad ik u aan mij eens in een soortgelijke situatie te observeren. Een vluchtige blik op het compleet aan gort geslagen dashboard van mijn Hyundai zal dat direct beamen. Hoe vaak ik mijn gebalde vuist daar al niet compulsief op af heb moeten reageren, nadat ik schuimbekkend op mijn beurt had staan wachten achter zo’n homp levend vlees. Maar zoals ik al aangaf, er is meer wat mijn holtes aantast. Zo veel meer…’


 

‘Meneer Romeijn, ik hoop voor u eigen bestwil dat dit onthutsende betoog deze rechtbank een enigszins concrete verklaring voor uw gedrag gaat opleveren…’


 

‘Natuurlijk, Edelachtbare. Dat beloof ik u. We nader onderhand de kern. 
Ik overhandig u Bewijsstuk 2: ‘De zelfingenomene’. Mensen die het boek ‘alleen op de wereld’ regel voor regel uit hun hoofd hebben geleerd en het strikt als handboek voor hun egoïstische, bekrompen leventje hanteren. Dit soort figuren voorzien het in diezelfde supermarkt regelmatig op je knieholtes. Ik bedoel, ik weet dat de gemiddelde consument het verstandelijk vermogen van een kleuter bezit, dat is immers wetenschappelijk aangetoond, maar geeft je dat werkelijk het excuus om mij met je boodschappenwagentje een minder valide toekomst in te werken? En dan spelen ze tot overmaat van ramp vaak ook nog de vermoorde onschuld als je ze ermee confronteert. Ziet u mijn probleem?’


 

‘Meneer Romeijn, dat u een probleem heeft staat voor deze rechtbank buiten kijf, maar is dit werkelijk de verklaring die u wilt geven voor al uw overtredingen? Ik bedoel, het is me nogal wat! Het plaatsen van valstrikken bij de plaatselijke Albert Hein, bedreiging en intimidatie van kinderen bij de ingang van diverse supermarkten, aanzetten tot haat middels het uitdelen van aanstootgevende pamfletten, rituele verbranding van een hond in een parkeergarage. De lijst is nagenoeg eindeloos.’


 

‘Edelachtbare, in mijn verdediging; die hond sprong z’n baasje te hulp. Dat het beest dan per ongeluk vlam vatte is natuurlijk niet mijn schuld. Het rituele aspect van de verbranding was niet meer dan een onschuldige inschatting en uitbuiting van de op dat moment toevallig ontstane situatie. Daarbij was het een hazewindhond. Ik bedoel... komop nou.’


‘Goed, dat verandert de zaak. Gaat u verder, maar houdt het kort alstublieft.’


‘Waar was ik gebleven... oh ja. Zo ook volwassenen die het over ‘centjes’ hebben als ze keiharde knaken bedoelen. Nog zoiets waar een corrigerend nekschot de enige gepaste oplossing lijkt. Kijk, alle bedragen onder een euro mag je van mij best verbaal in centen uitdrukken, daarboven hoort echter in mijn beleving alles keihard bestraft te worden. Dat lijkt me niet onredelijk. Ik heb het toch ook niet over 95000 meter als ik van mijn huis naar Urk moet met de auto? Of over het aantal kubieke milliliters brandstof als ik de pompbediende duidelijk wil maken hoeveel benzine hij in m’n tank mag pompen? Onzin.
 Iets anders dan. Wacht dacht u van wielrenners die denken dat de verkeersregels niet op hen van toepassing zijn, en dan kwaad worden als je er per ongeluk een paar met je auto aan flarden rijdt? Is dat dan wat men verstaat onder ‘abnormaal’ of ‘onacceptabel’ gedrag? 


Ramptoerisme. Geweld tegenover hulpdiensten. Over onacceptabel gesproken. Ik pleit overigens voor tot op de tanden bewapend ambulancepersoneel. ‘Rambo meets Scrubs’, zeg maar. Moet ik nog doorgaan?’


‘Dat lijkt me niet echt nodig…’


 

‘…Al deze zaken prikkelen mij op zo’n buitengewoon extreme wijze, dat ik er na vele jaren leed een lichamelijke reactie bij ontwikkeld heb. Een heuse allergie, met verstrekkende gevolgen: Ik nies me namelijk zo’n beetje de hele dag de pleuris. Overal waar ik ga of sta. Ik neem aan dat het u niet ontgaan is de afgelopen minuten.’


 

‘Het valt moeilijk te negeren, mijnheer Romeijn.’


 

‘Edelachtbare, dit is nog niets, gelooft u mij. En dat is een compliment aan uw adres. Daar het een allesbehalve normale vorm van niezen is, heb ik het fenomeen ‘af-niezen’ gedoopt, als in ‘de-irritatie-van-je-af-niezen’. Gevoelsmatig is door al dit lichamelijke geweld géén van mijn organen nog op zijn oorspronkelijke plek terug te vinden, dat zult u begrijpen. Mijn lichaam lijkt het lijdend voorwerp in een spelletje Dokter Bibber geweest te zijn, maar dan uitgevoerd door een stel op hol geslagen bavianen, die van nature te laks zijn om uit te zoeken waar elk onderdeel nou eigenlijk thuishoort. Toch, in tegenstelling tot wat je zou verwachten bij een dergelijke afwijking lig ik er niet wakker van. Sterker nog, met elke af-nies die ik produceer raak ik een stukje van mijn frustratie weer net zo hard kwijt. De af-nies is mijn zelf geëvolueerde afweermechanisme. Vervelend gevolg is wel dat ik hierdoor geregeld een slordige tien tot vijftien keer achter elkaar moet af-niezen. Mensen uit mijn directe sociale omgeving kunnen dat bevestigen, mocht u mij niet geloven. Het heeft de nodige impact, iets wat ik echter op de koop toe neem. Mijn exorbitante af-niesgedrag bleek namelijk een wonderlijke bijwerking te hebben. Iets positiefs, iets onwerkelijk moois, met een nieuwe fascinerende hobby tot gevolg: Vergaande bewondering voor de mysterieuze diversiteit van de Nies.’ 



 

Wordt vervolgd…

 

 

Kwijt - Overig IV

...een eindeloze interne monoloog waarin ik nog nooit mijn gelijk heb weten te behalen...

 

Ik ben iets kwijt. Een gevoelskwestie, zo zou je het kunnen noemen. Iets waarvan ik niet eens kan bedenken of het ooit wel in mijn bezit is geweest. De relevantie lijkt eveneens te ontbreken, al doet dat er feitelijk niet toe. Het besef is er, en bekruipt me in toenemende mate. Dat telt. Het beïnvloedt de aanhoudende drang, een intense begeerte om het gemis te willen vergeten, allerminst. Pijnlijk. Ik verbied mijzelf dan ook op zoek te gaan.

Krampachtig, de wijze waarop ik mezelf door deze ongemakkelijke samensmelting heen worstel. Opgedrongen acceptatie van een uiterst merkwaardige gewaarwording. Wanhopig wensend dat het slechts van tijdelijke aard is. Nonchalant archiveren als een onschuldig incident, dat zou mijn voorkeur hebben. Juist. Sinds wanneer ben ik wereldkampioen zelfverloochening?

 

Ooit zal ik het toch moeten trotseren. Het verlossende licht. Als er al zoiets bestaat. Is de tijd er dan nu eindelijk rijp voor? Een vraag waarvan het bijbehorende antwoord zichtbaar binnen handbereik ligt. Op de fruitschaal, bij de rest van het overrijpe, inmiddels merendeels weggerotte fruit. Het ligt daar al zolang ik me kan herinneren. Tegen beter weten in vul ik de schaal weer aan, telkens wanneer het rotte gedeelte de overhand dreigt te nemen. Negeren is uiteraard ook een kunst. De eetbare vruchten blijven echter opzettelijk links liggen terwijl ik standaard rechtsaf buig, stoïcijns de aanzienlijk minder smakende weerstand tegemoet. Daar benader ik deuren, waarvan ik mezelf wijs maak dat ze nog niet eerder geopend zijn geweest. Deuren, waarvan ik tegelijkertijd durf te zweren dat er niets dan leegte achter schuilt. Verlaten kamers, die wellicht ooit tot de nok toe gevuld waren. Slechts zij mogen mij hun ontbrekende inhoud tonen. Waarom? Uit angst? Of wellicht pure waanzin?

 

Toegegeven, ik streef naar loze keuzes. Opgedrongen door een vervaarlijk sluimerende hunkering. Cruciale verzorging voor mijn noodlijdende gemoedsrust. Een eindeloze interne monoloog waarin ik nog nooit mijn gelijk heb weten te halen. Ik zet door. Hopende dat sommige holle woorden de transformatie in een verlossing kunnen verwezenlijken, maar verder dan hopen ben ik helaas nooit gekomen.

 

Waar ik sta laat het licht het grotendeels afweten. Het voelt ergens vertrouwd. Maar in de onbereikbare kalmte van de steeds verder wegkruipende horizon doorgrond ik soms bij toeval de gevolgen van mijn gemis. Controle. Gebrek aan chaos. Om maar wat te noemen. Het is er niet, en wel tegelijk. Een evenwichtigheid die gevoelsmatig nog millenia in stand gehouden kan worden, maar vandaag of morgen net zo goed kan bezwijken onder zijn eigen tekortkomingen.

 

Wie ik ben?

‘De samenleving’, is het label wat ik misleidend met mij meedraag. Had ik mijn eigen benaming mogen kiezen, was het minder flatteus geweest. Want waar is de collectieve gedachte die onlosmakelijk met mijn naam verbonden zou moeten zijn? De harmonie? Die ontbreekt. Maar ik heb flarden van het licht gezien. De zelfkennis, hoe klein dan ook, bestaat. Het individu, bestaat. Hoop, bestaat.

 

 

In Excelsis Vinex - Vleespasta IV

...alleen omdat haar echtgenoot de afgelopen 5 jaar noodgewongen parttime vrijwilligerswerk doet in het huis van de overbuurvrouw...

 

Het bescheiden strookje zonlicht, wat in al zijn eenvoud onder mijn rolgordijn naar binnen schijnt, wordt plotseling op brutale wijze geblokkeerd. Even denk ik nog aan een zonsverduistering, maar besef al snel dat de eerstvolgende pas voor begin 2015 staat gepland. Nee, dit is iets heel anders. Een angstaanjagende gestalte heeft abrupt halt gehouden, vlak voor de gevel van onze woning. Een gedrocht zo kolossaal, dat de temperatuur in huis voelbaar begint te dalen en de lucht uit mijn longen wordt gezogen door het onverwachts ontstane vacuüm.

 

Ik vrees het ergste, en het ergste blijkt dan ook het geval. Een vrouwelijke buurtbewoner. De afgeleefde variant, welteverstaan. Zo’n schepsel wat schaamteloos naar alle mogelijke vormen van aandacht hunkert, enkel en alleen omdat haar echtgenoot de afgelopen 5 jaar noodgedwongen parttime vrijwilligerswerk doet in het huis van de overbuurvrouw. Hij, die de moeder van zijn kinderen zo vreselijk beu is, dat hij bij elke onbedoelde blik naar haar monsterlijke kenkels, zichzelf dwangmatig voor de keuze stelt om een traytje Schultenbräu weg te tikken, of zijn huiskamermuur procentueel gezien nog meer uit LCD TV te laten bestaan. Meer opties kan zijn reeds jaren geleden afgestorven brein simpelweg niet meer bedenken. Het oorspronkelijke levensdoel van de vrouw om een groot gezin te stichten, blijkt na het behalen daarvan op natuurlijke wijze omgevormd tot het willen bereiken van de prestigieuze MILF status. Een nobel streven, maar die status valt natuurlijk onmogelijk te verdienen. Het zal deze vrouw aan haar reusachtige reet roesten. Ze is op mysterieuze wijze immuun voor zelfkennis geworden. Ze was ooit moeders mooiste, maar ze was dan ook enigs kind. Ze lijkt niet bij machte te beseffen dat haar eigen man haar waarschijnlijk nog over het hoofd zou zien tussen een kudde gestrande zeeolifanten, eentje waarvan de helft inmiddels overleden en aan het ontbinden is, om precies te zijn.

 

De mannelijke zijde van de medaille is overigens evenmin zo fraai. Eerlijk is eerlijk. Medelijden is hier dan ook niet van toepassing, en dat licht ik graag even toe. Elke man die vrijwillig in zee gaat met een zeeolifant, moet niet achteraf gaan lopen klagen als blijkt dat ze het merendeel van de dag op het strand ligt te rotten. Dat is hetzelfde als een oud brood uit de vuilnisbak grissen, en dan gaan zeuren dat het niet meer ovenvers is. Iedereen weet waarom dat brood in eerste instantie is afgedankt. Het was uitgedroogd, oud. Niet te vreten.

 

Ik laat een welgemeende traan. En waarom ook niet. Ook al is het slechts een greep uit de wonderlijke diversiteit die de doorsnee Vinex wijk rijk is, het aanzien van soortgelijke wanstaltige misbaksels doet mij oprecht veel verdriet. Ik woon hier tenslotte ook, een niet te onderschatten situatie voor iemand die zich doorgaans zo snel ergert aan anderen als ik.

Daar, ik heb het gezegd. Nog een prettige avond.

 

 

UB40 - Overig V

...Ergens heb ik spijt van mijn onderzoek...

 

De tijd is rijp dat men de keiharde waarheid te horen krijgt. Hoe confronterend die ook is. Eventuele consequenties neem ik weloverwogen op de koop toe.

 

UB40, volgens velen gewoon dat 'leuke reggae bandje', is in werkelijkheid iets heel anders. Een dekmantel. Daar, ik het gezegd. Musici met een dubbele agenda. De kwaadaardige broer van Milli Vanilli, maar dan in het kwadraat. Nou hoor ik je al denken; UB40, serieus? De band die naam maakte met onschuldige hitjes zoals ‘Red Red Wine’, en ‘I Got you Babe’? Juist, die ja. UB40 is niet wat het lijkt. Het is geeneens een echte band, maar een wassen neus. Een ziekelijk experiment, in het leven geroepen door de Engelse geheime dienst ten tijde van de Koude Oorlog. Hun intentie was relatief onschuldig; slechts om te kijken hoe ver ze zoiets konden rekken. Hoeveel gruwel een mens aankon voordat hij of zij zou bezwijken van ellende. Tot ieders verbazing bleef het bewuste breekmoment echter achterwege. Sterker nog, de eerste testpersonen gingen direct voor de bijl en leken het zowaar nog goede muziek te vinden ook. Daarna kwam het project al snel in een stroomversnelling terecht. Amerika en Israel kregen er lucht van en gingen zich ermee bemoeien. Voordat men er erg in had waren hele volksstammen gehersenspoeld.

 

Vergezocht, zeg je? Helaas, was het maar waar. Men beweerd dat de bandnaam is ontleend aan een of ander formulier van de Engelse sociale dienst om een werkloosheidsuitkering (UB = Unemployment Benefit) aan te vragen. Maar ik weet wel beter. Ten tijde van de 1e wereldoorlog hadden de Duitsers namelijk een onderzeeër in hun arsenaal met exact diezelfde benaming. De SM UB-40, heette het gevaarte. Dacht je soms dat dat toeval was? Of neem nou het vermeende ontstaan van de band, wat overal op internet te vinden is. Ik quote: ‘Ali Campbell (1 van de originele leden) kreeg in een café ruzie met iemand die zijn favoriete muziek afkraakte en tijdens de ontstane vechtpartij verloor hij bijna z'n linkeroog. De schadevergoeding, 4000 pond, die hij kreeg werd gebruikt om de instrumenten van te kopen.'

Kom op nou mensen. Zo ken ik er ook nog wel een paar. De 'band' is 36 jaar geleden als een vijandelijke duikboot in de onschuldige wateren van de westerse popmuziek geïnfiltreerd. En iedereen trapte er met open ogen in. Iedereen, behalve ik.

 

Ik weet het nog goed. De eerste keer dat ik het misselijkmakende ‘A Rat in my Kitchen’ moest aanhoren. Ik was notabene een onschuldig jochie, want onderscheid tussen hun slachtoffers maken ze niet, deze ordinaire zwendelaars. Ik was slechts 7 jaar oud, maar ik wist direct dat dit niet pluis was, in tegenstelling tot veel van mijn leeftijdsgenootjes. Er restte mij simpelweg geen andere optie. Ik moest dit tot op de bodem uitzoeken. Ik was het de mensheid verplicht.

 

We zijn bijna 28 jaar verder. Na jarenlang verketterd te zijn door mijn sociale omgeving omdat ik deze stelling onophoudelijk ben blijven verdedigen, heb ik uiteindelijk toch een eerste glimp van mijn gelijk gekregen. Beter laat dan nooit, zal ik maar zeggen. Al vrees ik dat het reeds jaren te laat is voor een ommekeer.

 

Zo berichtte de Telegraaf onlangs dat er gewonden zijn gevallen bij een UB40 concert in Engeland. Bloedende oren door het zogenaamd 'harde geluid'. Mensen, die getroffen door extreme misselijkheid, noodgedwongen vroegtijdig de concertzaal moesten verlaten. Mosterd na de maaltijd. Zo weet ik dat er door elk concert wat deze bedriegers de afgelopen 36 jaar hebben gegeven minstens 4 doden zijn gevallen. Alleen gebeurd dit vrijwel nooit tijdens het optreden zelf, maar pas nadat de nietsvermoedende concertbezoekers de zaal hebben verlaten. Zo zijn ze er al die jaren zonder problemen mee weg gekomen. Hoe UB40 dit precies bewerkstelligt blijft een groot mysterie, maar dat het iets met de mensonterende klanken van de 'muziek' te maken heeft staat voor mij als een paal boven water.

 

Mijn bronnen vertellen me dat de groep grootse plannen heeft voor hun 40 jarig jubileum, wat over een jaar of drie gepland staat. Ik heb angst, enorme angst. Dat mag je gerust weten. Wie een beetje kennis van getallensymboliek heeft, weet dat het getal 40 op zichzelf staand al niet veel goeds betekend. Laat staan als UB40 de 40 jaar daadwerkelijk haalt. Zo zou er in het grootste geheim zelfs al aan een nieuw album worden gewerkt. Slechter dan alle voorgaande albums bij elkaar. De gevolgen zullen niet te overzien zijn, mocht dit album ooit het levenslicht zien. Het woord 'desastreus' zal een nieuwe betekenis krijgen. En dan heb ik niet eens over de onafwendbare tours die tot in den treure zullen volgen. Stad na stad, jaar in, jaar uit. Een nieuw album kan zomaar een nieuw tijdperk van nogmaals 40 jaar ontbering inluiden, let op mijn woorden. Mijn onderzoek heeft dat aangetoond. UB40 zal niet rusten voordat iedereen zijn grootste hits kan meezingen. Daarbij zijn ze niet aan de sterk vergrijzende bandleden gebonden, want het publiek lijkt het niet eens op te merken als er nieuwe muzikanten op het podium staan. Het feest der herkenning, dat is alles wat telt.

 

Ergens heb ik spijt van mijn onderzoek. Het hield namelijk niet op bij UB40. Mijn ergste vrees werd werkelijkheid. Ondertussen heb ik een lijst met namen weten te verzamelen. Andere acts, die met soortgelijke intentie in het leven zijn geroepen. Ik noem bijvoorbeeld een Simply Red. Michael Bolton. Of meer recent, Nickelback. Allen bedoeld om ons het leven zuur te maken. En vooralsnog lukt ze dat heel aardig.

De Schoft - Vleespasta I

...En daar was hij dan ‘ de Schoft’. Eindelijk...

 

De Schoft.

In elk mens schuilt er één. Zonder uitzondering. Generaliserend? Ja. Pessimistisch, wellicht. Maar ik ben ervan overtuigd. We hebben allemaal wel eens een zwak moment waarin de aasgier in ons zijn kans grijpt, en hij zijn ranzige snavel in het zwakke vlees van onze prooi weet te prakken. Of we nou willen of niet.

 

Zo zat ik laatst te zappen en stopte ik zonder aanwijsbare reden bij RTLveronique, of hoe die tenenkrommende, amateuristische bende tegenwoordig dan ook mag heten. Daar belandde ik tot mijn spijt in een soort van verborgen camera show, waar één of andere derderangs acteur per ongeluk een briefje van 50 uit zijn zak liet flikkeren. De locatie was zo te zien nauwkeurig bepaald, want hij bevond zich op een plek die angstig veel leek op de huishoudbeurs. De plek bij uitstek om 'de Schoft', oftewel de menselijke aasgier, in het wild te spotten. Dat weet iedereen. Walgelijk natuurlijk, maar eerlijk is eerlijk, de bewuste acteur verdiende hier direct mijn respect mee. Hij liep daar met gevaar voor eigen leven rond. En zo te zien nog vrijwillig ook. Persoonlijk zou ik me nog liever wekelijks publiekelijk laten stenigen door een groep Oost-Europese kogelstootsters, maar dat terzijde.

 

In de paar minuten dat ik, liggend op de bank, deze zelfkastijding wist vol te houden, zag ik diverse malen dezelfde grap worden uitgehaald en verbaasde ik me over het gedrag van de gemiddelde beursbezoeker. Niet alleen dat, ik ergerde me helemaal kapot. Zo erg zelfs, dat ik bijna moest kokhalzen. Niet eens zo zeer doordat vrijwel alle gefilmde mensen instinctief het geld van de grond gristen, om het daarna zo onopvallend mogelijk in hun zak te proppen. Nee, daar kon ik me wel in vinden. Het was niet waarom ik mij verbeet, die bewuste avond. Het ging mij met name om de ontmaskering van 'de Schoft', in dit geval het moment waarop de cameraploeg zich bloot gaf en de nietsvermoedende eerlijke vinder, in dit geval een afzichtelijke vrouw van naar schatting middelbare leeftijd, confronteerde met de door hen zorgvuldig in scene gezette situatie. Alsof ik naar een wildlife documentaire op Animal Planet zat te kijken. Die blijven me fascineren, net als de Schoft feitelijk. De vrouw, waarschijnlijk niet ouder dan 20 maar niettemin al een kop als een bejaarde, voelde zich betrapt door deze onverwachte wending, en schoot direct in de verdediging. Ze had helemaal geen geld gevonden, beweerde ze stellig terwijl haar kop plotseling overeenkomsten begon te vertonen met een volrijpe tomaat. Ze weigerde schuld te bekennen, zelfs nadat de acteur had voorgesteld om de opgenomen camerabeelden erbij te pakken. Nee, deze vrouw ging zowaar nog een stap verder en draaide het zelfs helemaal om. Ze werd boos, witheet. Ze voelde zich in de maling genomen en nam het de cameraploeg kwalijk. Vluchtgedrag. Alles, om maar de aandacht van die 50 euro af te leiden.

 

En daar was hij dan, 'de Schoft' . Eindelijk. Ik kon m'n geluk niet op. Ik strekte mijn benen en slaakte een diepe zucht, terwijl ik weer voorzichtig aan begon te zappen. Op zoek naar de volgende...

 

 

De Bruine Noot - Vleespasta II

...Dit, terwijl de dertien in een dozijn melodie van het refrein zich als Koude Oorlog propaganda op mijn gevoel probeerde in te werken...

 

Geachte lezer.

 

Het zal u wellicht verbazen, maar ik ben bepaald geen liefhebber van de muziek die men doorgaans op de radio draait. Van die bagger waarbij je zou wensen dat je onderbroek van duurzamer materiaal was gemaakt, omdat je onmogelijk je sluitspier in het gareel blijkt te kunnen houden bij het aanhoren ervan. Dat soort werk. En dan heeft men vaak nog het lef om te beweren dat de zogenaamd mythische ‘bruine noot’ niet zou bestaan. Ik zeg, spendeer een willekeurige week in mijn bijzijn en ik bewijs je het tegendeel. Gegarandeerd. 
Over smaak valt niet te twisten, hoor je ook regelmatig. Jawel, zeg ik dan. Want stel je nou eens voor dat het echt zo is, dat we op een dag de gordijnen open trekken, en we plotseling elkaars muzieksmaak niet meer in twijfel kunnen trekken. Wat dan? Belachelijk natuurlijk. 
Daarom, ik moet ergens de grens trekken. En wat muzieksmaak aangaat bewaak ik die grens hartstochtelijk. Met kilometers prikkeldraad en voldoende zandzakken om een gemiddelde watersnoodramp mee te kunnen afwenden. Maar goed, ook ik wil nog wel eens onbedoeld mijn grenspost verlaten. Het overkomt tenslotte de besten onder ons.

 

Zo betrapte ik mezelf onlangs op het hebben van vreemde neigingen. Op de radio hoorde ik ‘It’s my life’, van Dr. Alban. U weet wel, die rare Zweedse Nigeriaan die in de jaren ’90 een aantal hitjes scoorde, terwijl hij doordeweeks schijnbaar nog altijd rotte kiezen stond te trekken in zijn eigen tandartspraktijk. Die Dr. Alban, die zijn frauduleuze dokterstitel er even voor het gemak had bij verzonnen. Ik merkte dat mijn lichaam ritmisch meebewoog bij het horen van het bewuste nummer. Dit, terwijl de dertien in een dozijn melodie van het refrein zich als Koude Oorlog propaganda op mijn gevoel probeerde in te werken. Maar dat was niet de reden van mijn totale paniektoestand. Nee, het was veel erger dan dat. Ik betrapte mezelf op een wandaad van epische proporties: Meezingen. Niet uit volle borst gelukkig, want dan had ik direct mijn stembanden laten amputeren door de eerste de beste straatchirurg die ik in een willekeurig smerig land tegen het lijf was gelopen. Zo erg was het gelukkig niet. Het was zachtjes, half neuriënd. Niet meer dan dat. Maar nu komt het. Ik voelde opeens een bepaalde verbondenheid met de tekst van het nummer. Een gevoel van herkenning. ‘It’s my life. It’s my life, my worries’. Een tekst, die voor zover mijn kennis reikt, niet echt bekend staat om zijn intelligente lading. Nu duurde het feitelijk niet langer dan een fractie van een seconde, maar niettemin zong ik mee. Met vanzelfsprekende walging hield ik er mee op, maar ontkennen had geen zin meer. Het kwaad was geschied. 


 

Plotseling zag ik mezelf in gedachten vooraan staan bij een Acda en de Munnik huiskamerconcert. Zo’n misselijkmakend ‘Vrienden van de Amstel’ -achtig festijn, waar ik hangend in de dranghekken als een paringsdriftige orang-oetan luidkeels hun grootste hits meebrulde, dit terwijl de tranen, opgewekt door de chaos verspreidende teksten van dit misselijkmakende duo, mijn gezicht van een ongewenste zoutlaag voorzagen. ‘Het regent zonnestralen’, tuurlijk joh, wat jij wilt. 
Mijn maag keerde zich abrupt binnenstebuiten. Wat een helse gedachte. Misschien was het amputeren van mijn stembanden nog geeneens zo’n beroerd idee? Alles in het leven heeft tenslotte zijn prijs. Als een dergelijke kleine ingreep mij kon behoeden voor een toekomstige blamage…Ik blinddoekte mezelf en pakte mijn oude schoolatlas erbij om een geschikte bestemming te bepalen.

 

Maar terwijl ik met mijn koffer al in de deuropening stond bedacht ik alsnog een alternatief. Op de valreep. Wanhopig stoof ik de trap op naar boven, waar mijn geliefde vinyl collectie oneerbiedig stof stond te happen op de onderste plank van mijn 'Billy' Ikea kast. (Sorry daarvoor, trouwens. Ik beloof er wat aan te doen) Daar wierp ik mezelf op de knieën, toonde berouw, en trok lukraak wat platen naar voren. ‘Rising’ van Rainbow als eerste, gevolgd door Iron Maiden’s ‘Seventh Son of a Seventh Son’. Een groter contrast met de, voor mij gewoon geworden, bruine noot kon ik mij niet voorstellen. Pure nostalgie. Waar ik de muzikale pracht van decennia geleden nog steeds kon ruiken aan het karton van de inmiddels half verschoten platenhoes.

 

Ik was gered, maar het scheelde bar weinig. De waarschuwing stond genoteerd, in hoofdletters. Dus rechtte ik mijn rug en nam met hervonden motivatie plaats bij mijn verlaten grenspost. Onder vuur in het land der opinies, maar daar voel ik mij prima thuis. Gewoon een kwestie van meer zandzakken plaatsen en het prikkeldraad van extra scheermesjes voorzien...

 

Zebravink - Vleespasta III

...Zolang ze nog niet ondersteboven in de kooi lagen te rotten, hoorde je feitelijk niemand klagen...

 

 

Ik ben gek op dieren. Al van jongs af aan. Levende dieren, bij voorkeur. En dan met name vogels. Van koolmeesjes tot kolibries, en van ooievaars tot aan adelaars, ik vind ze allemaal even interessant. Wellicht vanwege de veren, of omdat ik gefascineerd ben door die guitige snaveltjes. Wie weet. Het vermogen van de gemiddelde vogel om te vliegen doet me overigens vrij weinig. Dat zal me verder worst wezen. Het vormt niet de basis van mijn groeiende obsessie voor die frivole fladderaars. Wat dan wel, vraagt u? Een terechte vraag. Daarom, de hoogste tijd voor een grondig maar vooral kritisch onderzoek.

 

De vogel. Een schitterend schepsel van moeder natuur, maar zeker ook leuk voor eigen vertier. Geschikt om bijvoorbeeld in een kooitje te proppen en om af en toe naar te kijken, maar daarbij natuurlijk ook verdomde handig als ijsbreker. Niet letterlijk, natuurlijk. Nee, om een gesprek mee op gang te helpen. In de zin van:

'Goedemiddag. Zo, is dat ding van jullie nog steeds niet dood?'

'Nee hoor, hij doet het nog altijd prima. Koffie?'

Op die manier. Alsof je over een nog altijd werkende gloeilamp praat die al twintig jaar in dezelfde fitting stof zit te vergaren.

 

Gedurende mijn jeugd hadden we altijd wel vogels in huis. Zebravinkjes, parkieten, papagaaien, je kon het zo gek niet bedenken. Van die drukke, grappige kwetteraars, variërend in grootte en overlast. Meestal in een piepklein kooitje, ergens op de vensterbank in onze achterkamer. Tropische vogels, dacht ik als kind te weten, want ze leken bovennatuurlijk goed bestand tegen de hitte. Tijdens de zomermaanden stond de zon immers vol op het achterraam, waardoor de Telegraaf van maart 1974 onderin de kooi soms spontaan begon te fikken. Ach, die beestjes scheten zo veel, dat zelfs een kleine hoeveelheid napalm nog gedoofd zou worden. Zo dacht men in die tijd tenminste. Maar ook in de winter, als de centrale verwarming onder de kromgebogen vensterbank op volle kracht stond te loeien, hadden die dingen het ogenschijnlijk prima naar hun zin. En zolang ze nog niet ondersteboven in de kooi lagen te rotten, hoorde je feitelijk niemand klagen. De gouden regel voor het houden van soortgelijke huisdieren.

 

Ik concentreer me gemakshalve even op de zebravink. Een in de Lage Landen zeer populair, maar vooral uitermate geschikt vogeltje om als huisdier te gebruiken. Niettemin een opmerkelijke soort, waarvan het mannetje gezien zijn rode snavel en dito wangetjes de travestiet onder de vinken genoemd mag worden.

Op het eerste gezicht doet het beestje denken aan een huismus die een knutselend kind met een pakje viltstiften is tegengekomen. Een kind met gevoel voor humor, maar ook met gebrek aan empathie ten opzichte van dieren, om precies te zijn. In werkelijkheid mag je het kind in kwestie vervangen door 'de fokker'. Triest, maar dan krijg je wel een heel geinig vogeltje.

 

Hoe dan ook, we hadden destijds een spannetje van die herriemakers in huis. En op een dag lag er een van krantensnippers gefabriceerd nestje op de bodem van de kooi, met daarin een vijftal minuscule eitjes. Huize Romeijn was in extase, zo zult u begrijpen. Helemaal toen de miniatuur vinkjes uit hun ei smolten. Letterlijk. Door de zinderende hitte in het praktisch roodgloeiende kooitje was dat natuurlijk redelijk snel bekeken. Hadden wij even geluk. Maar dat bleek van korte duur…

Zoals gezegd produceerden deze beestjes opmerkelijk veel ontlasting. Absurd veel, in verhouding tot hun petieterige lichaampjes. En nu de voltallige familie zebravink een rij wasknijpers leek te imiteren door naast elkaar op het holle, plastic stokje te balanceren, vormde zich recht daaronder al snel een flinke berg vogelstront. Echter zo'n bizarre hoeveelheid dat zelfs de meest volhardende vliegen er na een tijdje genoeg van kregen. Kent u de horror klassieker 'the Blob'? Nou, zoiets dus, maar dan van stront.

 

Tijd voor een grondige schoonmaak dus, en zo geschiedde. Nou hadden we daar een techniek voor ontwikkeld waarbij we de bovenste helft van de kooi, de tralies, loskoppelde en met vogels en al op het keukenblad plaatste. De bodem, waar de schoonmaak grotendeels om te doen was, werd geleegd in de prullenbak en vervolgens gewassen in een sopje in de gootsteen. Niets aan de hand, zou je denken. Ware het niet, dat een aantal van die baby vogeltjes roet in het eten gooiden.

 

Moeder natuur bleek ze niet goed genoeg te hebben voorbereid op het leven in een dergelijke gevangenschap. De doorgaans toch vrij cruciale grip ten aanzien van het wiebelige plastic stokje ontbrak nog, waardoor ze tijdens het optillen van de kooi, tegen hun zin, van het stokje recht in het vieze afwaswater flikkerden. Een aantal overleefde het weliswaar op wonderbaarlijke wijze, maar u begrijpt dat de schrik er even goed in zat. Door het zoeken in het sopje lag er nu allemaal vies water en schuim op de keukenvloer. Daar had de dierenspeciaalzaak ons niet voor gewaarschuwd! U begrijpt, het werd allemaal een beetje te veel gedoe voor in huis, dus restte ons slechts één optie. De familie zebravink moest noodgedwongen verkassen, buiten de volière in. Dat het daar in de winter 20 graden kon vriezen, terwijl ze binnen netto een graad of 60 warmer gewend waren, werd op dat moment stilgezwegen. Zo was de natuur nou eenmaal. De rust die we er binnenshuis voor in de plaats kregen deed ons het hele voorval gelukkig al snel vergeten. Van zo’n situatie leer je dan toch als mens. Rust is erg belangrijk, net als een schone keukenvloer.

 

Terugdenkend aan wijlen familie zebravink verval ik alsnog in een gevoel van melancholie. Natuurlijk besef ik de absurditeit van het houden van soortgelijke huisdieren in vergelijkbare omstandigheden, maar dankzij hun leed heb ik toch mooi mijn grenzeloze liefde voor de vogel ontwikkeld. En daar gaat het tenslotte om.

En daar is het dan. Het antwoord op mijn eigen gestelde vraag, onbewust in mijn handen gedrukt gekregen: Liefde, met een vleugje berouw. Twee zaken die je nooit te veel moet ontleden in mijn beleving, maar gewoon het beste kan accepteren.

Dus, wellicht een mooi moment voor een bakkie koffie bij de plaatselijke vogelfokker, eens zien of ik nog een geinig setje zebravinkjes op de kop kan tikken…

 

‘Naar de Filistijnen’ - Vleespasta V

...En Zorba lacht zich kapot...

 

Ik ambieer een carrière in de filantropische sector. Iets humanitairs, goed voor mijn eigenwaarde. Maar weldoeners brengen geen brood op de planken, zei mijn moeder vroeger dikwijls tijdens het ontbijt, als ik stoïcijns mijn dagelijkse bord zure yoghurt met brinta probeerde weg te werken. ‘Het zet geen zoden aan de dijk’. 
Als jochie had ik geen flauw idee wat zoden waren, maar ik kende wel een woord wat er op rijmde. Die zette je doorgaans ook niet aan de dijk, dus volgde ik haar advies blindelings op. Ik wist uiteraard niet beter, de jonge onbevangen hond die ik destijds nog was.


Zoveel jaar later leef ik nog altijd op als ik fantaseer over een dergelijke carrièreswitch, en ik gehuld in een purperen Romeinse toga de ondankbare taak van weldoener op me neem. Zoals Lambik, in de ‘Wilde Weldoener’, maar dan zonder Vlaamse tongval. 'Awel Koeneke, t'is crisis, dus die haring braadt niet', raaskalt hij verwittigend. Maar vooralsnog weiger ik mijn ultieme droombaan uit mijn gedachten te verbannen.

 

Het woord ‘crisis’ schijnt trouwens uit het Grieks te komen, wat niemand zal verbazen. Alsof Zorba en zijn Zwaarbehaarde Zussen (Leest u mee, Studio Vandersteen?) ons dat eventjes wilden inprenten, en derhalve collectief besloten hun vaderland naar de spreekwoordelijke filistijnen te helpen, zodat onze miljarden nu grotendeels gebruikt worden om borden van te fabriceren, die we vervolgens eigenhandig weer kapot flikkeren tijdens onze jaarlijkse strandvakantie in Lesbos. ‘Wat een achterlijke traditie hebben die vieze Grieken, hè papa. Hoppa!’ En Zorba lacht zich kapot.


 

Wellicht is de openlijk opererende weldoener, zoals oorspronkelijk bedoeld, vergane glorie. De moderne variant houdt zich tenslotte steeds vaker schuil als directeur binnen diverse dubieuze stichtingen, waar ze tonnen van onze goedbedoelde liefdadigheid per jaar binnenharken en investeren in de schijnbaar broodnodige diamanten poedercoating van hun gestalde miljoenenjachten. Schandalig, zegt u? Maar wat als ik u zeg, dat de moderne weldoener geen andere keus heeft? Ouderwets goudstukken over straat smijten kan namelijk echt niet meer, niet nu Jan Modaal van mening is dat Nederland de centen net zo hard nodig heeft als zijn uitgemergelde gekleurde tegenhanger in donker Afrika. Ik snap die directeuren dus ergens wel, maar weiger die geveinste naastenliefde te accepteren.

Daarom ben ik onlangs zelf een stichting begonnen. Stichting ‘Help een Romeijn een Griek te worden’, zodat ik als hedendaagse filantroop mijn taken kan gaan uitoefenen vanuit mijn villa op de Akropolis. Griekenland, waar ze snappen hoe je met een crisis moet omgaan.

 

 

‘Tradities’ - Overig I

...geen zuivere koffie...

 

I'Heb jij geen mening over dat hele Zwarte Piet gebeuren? Is dat niet iets voor je column?'

Iets wat ik vaak te horen heb gekregen de afgelopen tijd. Mijn initiële antwoord is standaard 'nee'. Maar natuurlijk heb ook ik er een mening over, laat daar geen misverstand over bestaan. Al voelde ik me tot nu toe niet bepaald geroepen daar iemand mee te vermoeien. Wat valt er tenslotte nog te zeggen, wat al niet tot in den treuren besproken is? Dat ik sowieso lak heb aan de Goedheiligman en zijn Pieten? Of dat de gemiddelde traditie in Nederland me eigenlijk net zo koud laat als het wereldkampioenschap sjoelen? Prima, dan zeg ik dat. Mij doe je er allemaal geen plezier mee. Trouwens, de laatste keer dat ik mijn ongezouten mening over Sinterklaas, notabene op verzoek ook nog, ten gehore bracht werd ik bijna getrakteerd op een emmer pek met veren en gevierendeeld op het plaatselijke dorpsplein, dus nee daar waag ik me liever niet meer aan. Ik heb mijn les geleerd...maar ja, hè.

 

Een paar jaar geleden heb ik me al zitten verbijten over de reacties van menig landgenoot toen die matige horror film 'Sint' uitkwam. En dat in principe alleen maar vanwege een zogenaamd aanstootgevende poster die verspreid over het land in een paar bushokjes werd geplakt. Ondanks de teleurstellende uitvoering vond ik het concept voor de film best geinig, maar toen ik dat iemand terloops meedeelde werd ik aangekeken alsof ik zojuist eigenhandig de Apocalyps in gang had gezet. Een tikkeltje overdreven, moest ik concluderen. De verklaring achter deze, in mijn ogen absurde klopjacht jegens de aanhangers van deze film moest toch ergens te vinden zijn, net als nu met dat hele gezeik over die 'Piet'. Wat ik overigens een ongeloofwaardige benaming vind voor iemand die er zo uit ziet, maar dat terzijde. Maar goed, hoe moet je een zwart geschminkte blanke in een kitscherig knechtenpakje wat nog stamt uit de 16e eeuw dan in godsnaam noemen? Dan maar iets wat lekker bekt, moet men destijds gedacht hebben. 


 

Mijn relatie met Sinterklaas is altijd moeizaam geweest, om heel eerlijk te zijn. Als klein kind wantrouwde ik het hele gebeuren al. Het feit dat een witbebaarde, perfect Nederlands pratende oude man in paus kostuum elk jaar op een boot het land binnenvoer, aan de hand van een gezelschap vreemde zwarte knechten in ronduit belachelijke kostuums, die intimiderend met hun roe en juten zak pronkten maar tegelijkertijd lachend snoepgoed strooiden, zei me feitelijk genoeg. Dit was geen zuivere koffie. Een vermoeden wat dan ook werd bevestigd toen ik ontdekte wat voor groots opgezette façade er achter schuilde. Ik voelde opluchting, maar zag mijn ergernissen al snel een nieuw hoogtepunt bereiken. Ik besefte me namelijk opeens dat het vaak geziene aanstootgevende gedrag van volwassenen op of rond 5 december volledig uit eigen beweging moest zijn, en niks te maken had met de druk die deze mysterieuze grijsaard op dat wanstaltige schip met die kinderachtige vlaggetjes uitoefende. Al die keren dat ik dus ongewild een door rondvliegende pepernoten veroorzaakte hersenschudding op had gelopen bij het nietsvermoedend binnenlopen van de lokale Bart Smit, bleek achteraf volstrekt onnodig te zijn geweest. Jammer. Het veranderde mijn kijk op de wereld. Maar de buitensporige agressie die vaak gepaard gaat met het Sinterklaas feest is blijkbaar wat het juist zo aantrekkelijk maakt voor een grote groep mensen, zo blijkt ook nu weer uit de reacties naar aanleiding van deze voortslepende discussie. Als een clan roofzuchtige hyena's die zich te buiten gaan aan een onschuldig per ongeluk achtergebleven springbokje, probeert men elkaar online letterlijk af te maken, enkel om elkaars mening. Natuurlijk, ook ik besef dat de festiviteiten leuk zijn voor onze kindertjes, maar persoonlijk denk ik dat het ze geen reet uitmaakt of je nou een zwart geschminkte Piet , of een zwarte kip-drinkende Piet Hein met rollator er voor inhuurt. Zo lang er maar snoepgoed en cadeaus naar voren geschoven worden zal het ‘t gros van de kinderen allemaal worst wezen. Maar goed, dat is hoe ik het zie. Wat anderen denken moeten ze zelf weten.


 

De bron van deze aanhoudende agressie moet dus veel dieper liggen, en ik heb een donkerbruin vermoeden waar dat precies is. Het probleem zit ‘m in onze eigen, oer Hollandse tradities. Die zijn namelijk schaars. Zeer schaars. Denk er maar eens over na. Koninginnedag, beschuit met muisjes eten, klootschieten wellicht? Of een Elfstedentocht die nooit plaatsvindt? Dat je op het internet lijstjes tegenkomt van ‘typisch Hollandse tradities’, waarin ‘bier drinken’, of ‘op de koffie gaan’ hoog in de ranglijsten zijn terug te vinden zegt feitelijk al genoeg natuurlijk. Het is diep triest gesteld met onze tradities. En dat doet pijn. Want wij Nederlanders willen graag uniek zijn. Opvallen, en beter zijn dan anderen. Een houding die begrijpelijk is, maar waarin we wellicht iets te ver zijn doorgeschoten. We zijn helemaal geen tolerant volk, al wil men dat nog altijd erg graag doen geloven.

 

Daarentegen zijn er zat andere dingen, vaak gewoontes, die wel weer typisch Nederlands zijn, en ik stel dan ook voor dat we ons daar aan optrekken. Denk bijvoorbeeld aan zaken als lekker zeiken over het weer, of je buurman aangeven bij de gemeente omdat hij stiekem zand stort in het bos, of nog beter, klagen over de crisis terwijl je zelf twee geleasde bolides voor de deur geparkeerd hebt staan, of in plaats van drie, nu slechts twee keer per jaar op vakantie kan gaan. Allerhande dingen waarin wij als Nederlanders daadwerkelijk in lijken te excelleren. En dat doet me deugd. Want begrijp me niet verkeerd, al dat gezeik over Piet laat me koud, maar het gezeik óver het gezeik over Piet, kijk, dat doet me beseffen dat ik een echte Nederlander ben. Heerlijk.

 

Fijne Sinterklaas allemaal.

 

 

‘Slagschaduw’ - Overig II

...de strekking van de brief was je reinste angstzaaierij...

 

Mijn persoonlijke voorraad ergernissen lijkt bij tijd en wijle onuitputtelijk. Zo maak ik me druk over zaken waar anderen nog geen seconde van hun waardeloze leventje aan wensen te spenderen, maar heel soms, als door hogere krachten geregisseerd, valt zo’n ergernis dan samen met die van mijn dikwijls vervloekte medemens. Nee, niet op die manier. Het is meer dat mijn medemens zich openlijk ergens aan ergert, waardoor ik me weer erger aan het feit dat mijn medemens zich daaraan ergert. Hoe dan ook, het schept toch een bepaalde band.

 

Ik verbaas me over de nieuwste rage onder de diehard zeikstralen die ons kleine landje in opvallend grote getale te bieden heeft: Slagschaduw.

Nee, het heeft geen moer met samoeraizwaarden te maken, en het is zelfs geen obscure term uit de roeisport. Niets van dat alles. Dit is een heus hedendaags fenomeen, ontstaan vanuit de trend om overal van die enorme turbines te plaatsen. Windmolens, je wordt er mee dood gegooid. Langs de A27, het Amsterdam-Rijnkanaal, in de weilanden tussen de koeien, zelfs naast de verfomfaaide moestuintjes van onze bejaardengemeenschap. Nou ben ik een groot voorstander van groene energieopwekking, maar dat zegt helaas niets over hoe men het in de praktijk telkens weer weet te vernachelen. Zo zie ik regelmatig windmolens die weigeren te draaien als er dan eindelijk eens een flinke bries staat, windmolens die op mysterieuze wijze beginnen te draaien als het juist windstil is, windmolens die helemaal nooit draaien, windmolens die in de fik vliegen en sinds kort ook slachtoffers opeisen, en windmolens die met hun gigantische luchtzuigende wieken de plaatselijke populatie roofvogels proberen uit te roeien. Dat kan wellicht ook wel de bedoeling zijn, dat weet ik niet. Maar wees daar dan ook helder over naar de buitenwereld toe. Hoe dan ook, er blijkt van alles mis met die dingen. Maar het meest opvallende is toch wel de discussie over de zogenaamde slagschaduw.

 

Ik dacht eerst nog aan een flauwe grap, maar nee, er zijn blijkbaar echt mensen die zich hier serieus druk over maken. Dit werd bevestigd toen ik voor de tweede maal in korte tijd een schrijven ontving van de Eneco waarin ze mij als buurtbewoner waarschuwden voor dit schijnbaar afschrikwekkende fenomeen. De strekking van deze zeer vermakelijke brief was je reinste angstzaaierij. Nu ben ik doorgaans niet te beroerd om iemand een kans te geven mij te overtuigen van zijn of haar gelijk, en besloot ik onbevangen op grootschalig onderzoek uit te gaan. Zo had ik tenslotte weer wat omhanden. En wat schetste mijn verbazing, wat in eerste instantie nog op mij overkwam als een mythisch verschijnsel, bleek nog echt te bestaan ook. Het leeft wel degelijk onder de bevolking.

 

Zo kan je als onfortuinlijke huiseigenaar, bijvoorbeeld in de namiddag bij een laagstaande zon, een paar minuten de schaduw van de wieken over je kostbare gevel zien bewegen. 'Mijn hemel, wat een afgrijselijke gedachte’, 'Het zal je huis maar zijn!’, 'Daar moet je toch niet aan denken’ Zomaar een paar reacties die ik tijdens mijn onderzoek op straat opving.

Kijk, dat dit alleen maar kan gebeuren op die ene sporadische nazomerdag dat de zon dan ook daadwerkelijk doorkomt, zodat er sprake kan zijn van schaduw, in de wetenschappelijke zin van het woord, is niet van belang. Het gaat er om dat je als mens ongevraagd in je ego wordt aangetast. Dat je het risico loopt dat er toevallig net buurtbewoners langs je huis kunnen lopen als de enorme schaduw van de wieken het natuurlijke charisma van je gevel aan het bevuilen is. Wat moeten die mensen dan wel niet denken? En wat zegt dat over jou, als huiseigenaar? Je schaamt je natuurlijk kapot, maar nog erger: Je vrijheid wordt je op onbeschofte wijze ontnomen. Stel je voor dat je precies op dat moment de krant probeert te lezen, maar je constant wordt afgeleid door die verschrikking? Ernstige vraagstukken waar een ieder van ons zich eigenlijk hard voor zou moeten maken.

 

Want laten we eerlijk wezen, veel erger dan die duivelse slagschaduw gaat het natuurlijk niet worden. Hierbij vallen alle andere vormen van overlast direct in het niet. Zoals het type buurman wat dwangmatig elke seconde van zijn vrije zaterdag en zondag woest klussend in zijn achtertuin moet doorbrengen, en zijn buren tot een uiterste staat van wanhoop drijft door eindeloze schipladingen aan hout met allerlei industrieel gereedschap doelloos te verzagen, of net zolang op te schuren tot er alleen maar stof over is. Of zoals die andere buurtbewoner, die geduldig wacht tot iedereen slaapt en dan besluit om even tot 7 uur ’s ochtends in zijn eentje een Rave te houden, inclusief de onlosmakelijk verbonden absurde basklanken waarmee hij voortdurend de maximale belasting van zijn fundering lijkt te willen onderzoeken. Als je dit vergelijkt met de barbaarse impact van de slagschaduw, dan is dit slechts een onschuldig trekrotje, waar de slagschaduw gelijk staat aan een alles vernietigende waterstofbom.

Dus niets dan lof voor een bedrijf als de Eneco. Ze hebben dus toch geleerd van hun fouten, en nemen eindelijk de klachten van hun klanten serieus. Waarvoor hulde.

 

Nee, eerlijk gezegd voel ik me in de zeik genomen. Alsof ik per ongeluk in een potje kwartetten terecht ben gekomen.

Mag ik van jou uit de categorie ‘de negatieve invloed van de medemens ten aanzien van mijn toch al niet al te positieve houding ten opzichte van diezelfde medemens’, de ‘plaatsvervangende schaamte’?

Kwartet...

 

 

‘Kansloos’ - Overig III

...een innige samenwerking tussen mens en pot...

 

Kansloos. Soms heb je van die dagen waarop het bewuste woord met een stanleymes in je voorhoofd lijkt te zijn gekerfd. Kansloos, als een losse huissleutel in een net iets te ondiepe broekzak, waarvan je vanaf het moment dat je ‘m er insteekt al weet dat je er binnen het uur paniekerig naar op zoek moet. Maar toch zet je het door. Kansloos.

 

Of wat te denken van zo’n schaamteloze avond waarop jezelf ouderwets aan gort zuipt met je kameraden, en waarbij je je vanuit nostalgisch oogpunt weer eens waagt aan een potje ‘kaartje blazen’. Gezellig, maar eveneens kansloos.

Welke zelfgekroonde levensgenieter is er nou niet groot mee geworden? Zo’n volstrekt kansloze situatie waarbij het van te voren al in hoofdletters geschreven staat dat het je een geknielde omhelzing met je porseleinen troon gaat opleveren. Een innige samenwerking tussen mens en pot. Een verstrengeling als het ware, waarbij je gepassioneerd elke vierkante centimeter tegelvloer van je kleinste kamertje op de telkens weer wonderbaarlijk grote inhoud van je maag gaat trakteren. Onverbiddelijk en onbesuisd. En dat je ondanks die onbetaalbare voorkennis niet eens even de moeite hebt genomen om de boel preventief te ontsmetten, laat staan de WC Eend alvast op een strategische plek te positioneren, of zelfs de hoeveelheid schijtlint te inspecteren. Nee, je slaat alle waarschuwingen in de spreekwoordelijke wind. In al je halsstarrigheid laat je de dingen doelbewust op zijn beloop. Omdat je weet dat het je verdiende loon is. Je ondergaat je lot dan ook als een vent, en probeert het noodgedwongen te benaderen als de helende ervaring die het vanuit het fundament van het mens-zijn behoort te zijn: Een oeroude spirituele zuivering. Tenminste, zo praat je het voor jezelf goed, maar bij het scheiden van de markt (lees: zodra je weer wakker schrikt) zal altijd blijken wat voor kansloze aangelegenheid het in werkelijkheid is.


 

Men beweerd vaak dat we als mensen van onze fouten leren. Lariekoek, zeg ik. Als dat daadwerkelijk het geval was, dan zou ik zo onderhand de meest geleerde mens moeten zijn die er op deze aardkloot rondbanjert. En anders zou ik desnoods opzettelijk fouten kunnen gaan maken om die status alsnog te behalen. Al vraag ik me soms toch af…stel dat de mens echt zou leren van zijn fouten, betekent dat dan ook automatisch dat hij dommer wordt van de dingen die hij juist goed doet? 


 

Nee, het lijkt me nog een paar eeuwen te vroeg voor ons om daadwerkelijk iets op te kunnen steken van onze talloze vergissingen. Wie weet zijn we als ras wel uitverkoren om tot het einde der tijden kansloos te blijven, en kunnen we ons daar het beste gewoon bij neerleggen. Dat zou wel de makkelijkste uitweg zijn. Maar wellicht is het handiger om onszelf allereerst maar eens aan te leren om al die zaken die zogenaamd ‘fout’ zijn, voorgoed uit onze botte hersenpannen te verbannen. Om daarna voorzichtig een poging te wagen om de boel weer vanaf de grond op te bouwen. Bij voorkeur met een exponentieel verhoogde mate van respect voor alles en iedereen om ons heen. Wellicht dat daar onze enige kans ligt.

 

Persoonlijk benader ik ons nietige bestaan als een op ‘t oog onoplosbare wiskundige vergelijking. Soms biedt tot ieders verbazing een op voorhand volstrekt kansloze aanpak de enige weg naar het eureka moment waar we allemaal zo reikhalzend naar uitzien. Toevalstreffers inbegrepen. Want wat wij doorgaans als ‘kennis’ bestempelen blijkt dan zelfs belemmerend, of zelfs desastreus te kunnen zijn. 


 

Uit angst voor die gedachte probeer ik mezelf altijd zo kansloos mogelijk door het leven heen te frommelen, en trotseer ik elke nieuwe dag met een vrachtlading aan zoutkorrels. Die tactiek houdt me op de been en heeft me per slot van rekening al heel wat moois opgeleverd. Voorlopig blijf ik dus nog wel even vrolijk tegen die kaarten aanblazen, en verheug ik me alvast op de eerstvolgende keer dat ik laveloos mijn toiletpot in mijn armen kan sluiten. Want kansloos is niet per definitie slecht. Een troostende gedachte.

 

'Ruitjesblouse' - Vleespasta VII

 

Een middagje doelloos kuieren door de stad levert het onomstotelijke bewijs: de garderobe van de hedendaagse man is om te janken. Jong, oud, bejaard. Maakt niet uit. We verkeren gezamenlijk in een permanente midlifecrises. Natuurlijk kan niet elke vent zich Karl Lagerfeld noemen, maar voorheen wisten we onze chronische mannelijke wansmaak tenminste nog enigszins te camoufleren. Die kunst zijn we overduidelijk verleert, en inmiddels lijken we het niet eens meer te proberen. Dat baart me oprecht zorgen, want ik ben ook één van die mannen.

 

Zo zie ik bomen van kerels in poloshirts die zo belachelijk roze zijn, dat zelfs Hello Kitty liefhebbers er voor bedanken. Uitgezakte huisvaders defilerend in pijnlijk strakgespannen T-shirts met aanstootgevend diepe v-halsjes, of nog erger, schuilend achter de geduchte hoog-opstaande kraag, waarbij ik op de één of andere manier altijd aan zo’n lampenkap voor zieke honden moet denken. En dan heb je nog het hoge percentage manboobs. Niet per se iets waar je als kerel mee te koop wil lopen, zou je denken. Toch zet de hedendaagse man ze op grote schaal in om op allerlei kleffe pasteltinten de meest inhoudsloze kreten te accentueren. B-Urself, This body was made for lovin’, of gewoon een willekeurig jaartal met Vintage eronder geplakt. Ineens lijkt alles te kunnen en te mogen, mits in koeienletters geprint en opgedirkt met gouden sterretjes. Verbijsterend, als ik er dan toch een superlatief aan moet hangen. Blijkbaar is tegenwoordig half Nederland verre familie van Frans Bauer, of heb ik iets gemist en heeft Roy Donders, met zijn abominabel grote hoofd, zich opgewerkt tot nieuwe schoonheidsideaal? Ik tast in het duister. De kledingfabrikanten kunnen we het in ieder geval moeilijk kwalijk nemen. Zij zijn de lachende derde, spelen slechts in op de volledig ontspoorde vraag van de consument. Al zou het me niets verbazen als ze onderling een wedje hebben gelegd wie het algemeen intellect de meeste schade kan berokkenen.

 

Ook op de werkvloer is onze evidente wansmaak niet meer weg te denken. En dat brengt mij bij de kern van mijn relaas: de ruitjesblouse. Grootmoeders tafelkleed met mouwen. Dit nietszeggende excuus voor een overhemd heeft in een opmars ergens halverwege de jaren negentig een cruciaal territorium weten te veroveren: het kantoorpand. (In de volksmond ook wel het Rome van de anti-trend genoemd.) De hardwerkende kantoorklerk bleek een meer dan gewillig slachtoffer, en zo werd het geruite shirt in no-time het ambtelijke equivalent van de overall met veiligheidsschoenen. Kijk maar eens om je heen. Ook binnen Toshiba is dit fenomeen nog altijd royaal te bewonderen. De hedendaagse man paradeert er schaamteloos mee, als connaisseur van alles wat dodelijk saai en inspiratieloos is. Meestal onlosmakelijk verbonden met een ontredderde, haast paniekerige blik van de desbetreffende drager. Veel mannen kunnen de verantwoordelijkheid van een eigen kledingkast niet aan, zover is duidelijk. Dat is overigens geen verwijt. Je kan van een hitsige poedel tenslotte ook niet verwachten dat het zijn eigen castratie uitvoert.

 

Vroeger hoefde dat ook niet. Toen legde moeder de vrouw het kloffie van haar echtgenoot nog netjes elke ochtend voor hem klaar. Zo ging dat nou eenmaal. Als hardwerkende man had je daar zelf ook helemaal geen tijd voor. Kom nou toch. Er moest brood op de plank komen. Andere prioriteiten had je niet, naast het completeren van je gereedschapsmuur en je wekelijkse uitstapje naar de hondenrenbaan. Liep je voor lul met te korte broekspijpen, of een scheve stropdas, dan schaamde je je kapot. Tuurlijk. Maar jou kon niets verweten worden, behalve dan dat je een vrouw had die de draak met je stak. Vandaag de dag moet je toch echt met een beter excuus op de proppen komen.

Toegegeven, zelf ben ik ook geen Giorgio Armani. Ik ken mijn beperkingen. En dat zijn er genoeg, kan ik je vertellen. Welke winkel je mij ook in dwingt, ik zal altijd met hetzelfde fantasieloze zwarte setje naar buiten komen strompelen. Kan ik niets aan doen. Iets anders past nou eenmaal niet in mijn modevocabulaire. Althans, dat dacht ik.

 

Onlangs was ik namelijk mijn kledingkast aan het uitmesten. Nee, uiteraard niet vrijwillig. Traditioneel gaat daar maandenlang getouwtrek aan vooraf. Ditmaal kon ik mijn vrouw echter niet geheel ongelijk geven. Denk aan de chaotische taferelen rondom de leegverkoopbakken van wijlen de V&D en je komt enigszins in de buurt. Zo zag de binnenkant van mijn kledingkast eruit. Alsof er een losgeslagen horde everzwijnen in had lopen wroeten. Op een druilerige zaterdagochtend besloot ik een goedbedoelde poging te wagen. Als een doorgewinterde archeoloog werkte ik me in eerste instantie nog omzichtig door de ellende heen. Ik toucheerde elk blootgelegde stukje stof met het grootst mogelijk respect en beoordeelde het op waarde. Nu sta ik niet bekend om mijn engelengeduld, dus veranderde de archeologische vindplaats niet lang daarna in een vuilsorteercentrum.

Wat ik uiteindelijk tussen de gesorteerde stapels aantrof kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ik twijfelde zelfs even. Wás dit wel mijn garderobe? Na vijf keer dwangmatig de kast open en dicht geslagen te hebben, en zelfs het huisnummer buiten op mijn gevel te hebben gecontroleerd, kon ik het niet meer ontkennen. In de kast, mijn kast, te midden van al het vertrouwde zwart, trof ik ruitjesbloezen aan. Niet één, niet twee. Nee, nagenoeg de gehele C&A zomercollectie. Ik viel op mijn knieën van schaamte. Hoe was dit gebeurd? Waar was dit fout gegaan? En waarom had mijn vrouw nooit ingegrepen? Tenzij…

In deze tijd waar een flitsscheiding voordeliger is dan een bezoekje aan de huisarts is dat natuurlijk niet zo verwonderlijk. Een goedgeklede man valt op. Een te goed geklede man is een vrouwenmagneet. Onze eega's weten dat. Ziet je kerel er te goed uit, dan is de kans groot dat hij voor het einde van de straat er met een ander vandoor gaat. Zo werkt dat nou eenmaal anno 2017. We ruilen partners in alsof het tweedehandsauto’s zijn.

 

Is de ruitjesblouse derhalve een evolutionair symptoom? Een logisch gevolg van de manier waarop we vandaag de dag relaties aangaan? Zou kunnen, maar probeer het maar eens te bewijzen. Mijn verklaring is daarom stukken eenvoudiger. De essentie van het probleem ligt, hoe pijnlijk dan ook, bij onszelf. Kijk, vroeger werd je garderobe volledig bepaald door je vakgebied. Dat bood overzicht. Je droeg een pak, of je droeg werkkleding. Een tussenweg was er praktisch niet. Eenvoud. Rust in onze koppen. Waar wij mannen van houden, waar wij op teren. Je moet ons ook niet teveel keus geven. Meer keus staat gelijk aan minder eenvoud. Dat is vragen om problemen. Dan wordt het te moeilijk. Kiezen we uiteindelijk de weg van de minste weerstand. En daar zijn we de mist in gegaan. Met het verdwijnen van het obligate maatpak raakte de kantoorklerk de kluts kwijt, en greep hij in paniek naar het eerste de beste alternatief. De ruitjesblouse. En dan mogen we nog van geluk spreken. Het had net zo goed een gestippelde blouse met pofmouwen kunnen zijn.